U kent wellicht het steegje in ons stadscentrum met de naam : Jan Muldersgang. Die naam werd op 25 juli 1887 aan het straatje gegeven. Nu komt mijn vraag. Wie is deze Jan Mulder, waarom werd dit stukje Almelo naar hem vernoemd? In de archieven van ons gemeentehuis is daarover (tot nu toe) niets gevonden. Wie o, wie kan mij verder helpen?
Geen Reacties op “Jan Mulder”
Jan Mulder en zijn broer Gerrit waren touwslagers. Zij waren samen met hun knechten Adolf Eder en Gerrit Troost op 21 februari 1786 betrokken bij het binnenvallen van het huis van Hendrik ter Brugge door een groep met sabels en stokken gewapende Patriotten. Merkwaardig is dat in vrijwel alle op dit soort ongeregeldheden betrekking hebbende verhoren de getuigen maar zelden konden verklaren wat er nu precies gebeurde en wie de daders waren, als er met straatstenen werd gesmeten, er duchtig op los werd gescholden en geslagen. De incidenten vonden altijd ‘s avonds in het donker plaats. Straatverlichting zal er toen nog nauwelijks zijn geweest. Bij wanordelijkheden waren altijd nèt de twee lantarens bij het stadhuis – thans een beschaafde taveerne aan de Grotestraat – door oproerlingen gedoofd. En de stedelijke nachtwakers waren dan juist elders bezig met het handhaven van de orde. Ook als de klappen binnenshuis werden uitgedeeld, was de verlichting steevast een probleem. Dus of Jan Mulder zelf bij Hendrik ter Brugge de ruiten heeft ingegooid en of hij zelf in de opkamer van dat huis lustig op aanhangers van gravin Sophia van Rechteren er op los heeft gemept, van de getuigenverklaringen worden wij niet veel wijzer. Wel waren de gebroeders Mulder diezelfde avond nog op bezoek bij de doopsgezinde Abraham Buissant des Amories. De doopsgezinden waren toen evenals de katholieken nog tweederangs burgers en hadden derhalve meer sympathie voor de in democratische richting denkende patriotten dan voor de behoudende prinsgezinden. Buisant des Amories onthaalde Jan en Gerrit Mulder op wijn en zou toen tegen hen gezegd hebben: “Jongens, gij hebt het wèl gemaakt; drinkt eens voor den schrik.” De volgende morgen werden Jan en Gerrit Mulder ontvangen door de doopsgezinde Egbert Hofkes, de bewoner van het tegenwoordige Hofkeshuis aan de Grotestraat. Zij werden door hem “goed onthaald”. Jan en Gerrit Mulder waren zelf geen mennonieten (zoals de doopsgezinden ook wel worden genoemd). Zij zullen wel hervormd zijn geweest. Maar de doopsgezinden konden het kennelijk goed met hen vinden.
Jan Mulder en zijn broer Gerrit waren touwslagers. Zij waren samen met hun knechten Adolf Eder en Gerrit Troost op 21 februari 1786 betrokken bij het binnenvallen van het huis van Hendrik ter Brugge door een groep met sabels en stokken gewapende Patriotten.
Merkwaardig is dat in vrijwel alle op dit soort ongeregeldheden betrekking hebbende verhoren de getuigen maar zelden konden verklaren wat er nu precies gebeurde en wie de daders waren, als er met straatstenen werd gesmeten, er duchtig op los werd gescholden en geslagen. De incidenten vonden altijd ‘s avonds in het donker plaats. Straatverlichting zal er toen nog nauwelijks zijn geweest. Bij wanordelijkheden waren altijd nèt de twee lantarens bij het stadhuis – thans een beschaafde taveerne aan de Grotestraat – door oproerlingen gedoofd. En de stedelijke nachtwakers waren dan juist elders bezig met het handhaven van de orde. Ook als de klappen binnenshuis werden uitgedeeld, was de verlichting steevast een probleem. Dus of Jan Mulder zelf bij Hendrik ter Brugge de ruiten heeft ingegooid en of hij zelf in de opkamer van dat huis lustig op aanhangers van gravin Sophia
van Rechteren er op los heeft gemept, van de getuigenverklaringen worden wij niet veel wijzer. Wel waren de gebroeders Mulder diezelfde avond nog op bezoek bij de doopsgezinde Abraham Buissant des Amories. De doopsgezinden waren toen evenals de katholieken nog tweederangs burgers en hadden derhalve meer sympathie voor de in democratische richting denkende patriotten dan voor de behoudende prinsgezinden. Buisant des Amories onthaalde Jan en Gerrit Mulder op wijn en zou toen tegen hen gezegd hebben: “Jongens, gij hebt het wèl gemaakt; drinkt eens voor den schrik.” De volgende morgen werden Jan en Gerrit Mulder ontvangen door de doopsgezinde Egbert Hofkes, de bewoner van het tegenwoordige Hofkeshuis aan de Grotestraat. Zij werden door hem “goed onthaald”. Jan en Gerrit Mulder waren zelf geen mennonieten (zoals de doopsgezinden ook wel worden genoemd). Zij zullen wel hervormd zijn geweest. Maar de doopsgezinden konden het kennelijk goed met hen vinden.
Uit: Stad & Ambt