» 10/11/2016 » Algemeen, Politiek » 0 reacties

Een modern Almeloos sprookje.

Nog niet zolang geleden was er een jongetje die met de grote groep kinderen wilde meespelen. Ze speelden een keer in de maand met z’n allen. Heel soms ook wat vaker.
Je kon wel met die groep meespelen maar dan was beter om eerst lid te worden van een kleiner groepje. En dat was nog niet zo eenvoudig. Eerst wilden ze hem niet hebben. Raar, want hij was toch de beste? Hij was toch het beste jongetje van de klas? Na wat heen en weer gepraat werd er gestemd. Een meneer deed zijn best om hem in het groepje te krijgen. Het resultaat was dat het jongetje bij het kleine groepje kwam. Ze waren met z’n vijftienen. Om in de grote groep kinderen en dus in de grote speelzaal te mogen spelen moest er weer gestemd worden. De hele grote boze mensenwereld ging dat doen. Het kleine jongetje ging overal vertellen hoe goed hij was. Overal vroeg hij om hem in het “rode groepje” te kiezen. Veel mensen deden dat. Hij kwam erin met nog drie anderen. Hij werd zelfs de baas van het rode groepje. Zo goed was hij , al zei hij het zelf. Ze kregen alle vier een stoeltje in de grote speelzaal, samen met de andere groepen die ook hun eigen stoeltje kregen. Oh wat was het kleine jongetje blij met zijn stoeltje in de grote speelzaal. Met zijn klein groepje ging het niet zo goed. Hij maakte iedere keer ruzie met de andere drie. Hij wilde er verder niet over praten, hield zich vaak ook van de domme. En heel vaak was hij er ook niet. En dat was toch wel heel vervelend. In de grote speelzaal speelde hij bijna niet mee. Eigenlijk moest dat wel als baas van het kleine groepje maar hij deed dat niet. Hij zei ook niet wat de andere drie het beste konden doen. Hij wist ook niet aan te geven wat ze in de grote speelzaal allemaal zouden zeggen. Die andere drie gingen dus een beetje hun eigen gang. Het kleine jongetje had wel twee oortjes maar daar luisterde hij niet mee. Hij had wel twee oogjes maar zag niet wat er om hem heen gebeurde. Het beste wat hij kon was praten, heel veel praten. Ook kon hij heel goed opmerkingen van anderen verdraaien of bewust verkeerd verstaan. De andere drie werden daar onrustig van. Ze wisten niet meer wat ze aan hem hadden. Ze maakten zelfs ruzie met hem. Maar het kleine jongetje ook met die andere drie.
Een uit het groepje kreeg er genoeg van en zei dat ze met haar stoeltje iets verderop in de grote speelzaal zou gaan zitten. Toen werd de baas van het groepje toch een potje boos. Dat mocht niet, dan kon niet, dat hebben we niet met elkaar afgesproken. Als je niet meer in het rode groepje wilt meedoen moet je weg gaan en je stoeltje vrij maken voor een ander. Dat is afgesproken en zo moet het gebeuren. Dat zei het baasje van het rode groepje. Maar zo gebeurde het niet. Het meisje pakte haar stoeltje en ging iets verder op zitten. Oh wat was het baasje van het rode groepje boos. Toen waren er nog maar drie lid van het rode groepje.
Om een lang verhaal niet te langer te maken. Er komt een stoel naast de grote speelzaal vrij. Daar zat iemand op die bij de rode groep hoorde. Die ging dus weg en de baas van het rode groepje wilde graag op die vrijgekomen stoel gaan zitten. Zoals gezegd, staat die stoel buiten de grote speelzaal. Het is een soort van superstoel.
Maar het jongetje kwam niet op de stoel. De grote groep die bij het rode groepje hoorde koos iemand anders uit. En die mocht op de superstoel gaan zitten.
En weer was ons jongetje boos, heel boos. Hij was zo boos dat hij ook zijn stoeltje oppakte. Hij ging bij een paar andere groepjes langs met de vraag of hij bij hen mocht gaan zitten. Dat mocht niet. Dikke pech.
Toch was er een groepje waar hij zijn neer kon zetten. Het oranje/blauwe groepje. Die waren met hun drieën en nu dus met zijn vieren. Van drie naar vier. Wat waren ze blij. Het gaf niet wie erbij kwam zitten. Nu waren ze met zijn vieren. Lekker puh.
Een rode bij een oranje / blauw groepje dat vloekt wel maar dat kon ons jongetje niets schelen. Als hij maar in de grote speelzaal kon blijven. Maar jongetje…je mag toch niet je stoeltje op pakken en bij een ander gaan zitten. Dat heb je toch zelf gezegd? Dat vond je toch “niet kunnen “. En nu doe je het zelf. Is dat niet raar?
“Nee hoor”, zei het jongetje. “Het is mijn stoeltje en die zet ik neer waar ik dat wil. Ik heb altijd gedaan wat ik zelf wel of niet wil. En nou wil ik dit.
In de grote speelzaal bleef het nog lang onrustig. Waarom het oranje/blauwe groepje het jongetje uit het rode groepje bij hen heeft laten zitten weet niemand. Het is wel raar. Heel raar. En in het rode groepje zaten er nog maar twee.



Comments are closed.